[in samenwerking] Staatsbosbeheer
Langstraat - Ondanks stikstof de soortenvariatie stimuleren
De natuur heeft te lijden onder de neerslag van stikstof. Hoe zit dat in ons gebied? Specialist stikstofdeposities Paul Verreijt van de OMWB en boswachter Joey Braat van Staatsbosbeheer maakten een wandeling door het veelzijdige Labbegat, in Waalwijk. “Stikstof is er nu eenmaal, maar stilzitten is geen optie.”
Terwijl ze het wandelpad betreden vertelt Joey over de huidige status van het natuurgebied. “In samenwerking met de provincie, gemeente Waalwijk, het waterschap en twee aannemers werken we hier aan de gebiedsinrichting. Dan moet je denken aan beheersmaatregelen om de variatie aan soorten te kunnen behouden voor de toekomst. Menselijk ingrijpen is noodzakelijk. Dit was vroeger één van de soortenrijkste gebieden van Nederland en het heeft nog steeds de potentie om dat weer te worden. Met de gebiedsinrichting willen we die toestand weer in ere herstellen.”
Riet De grond onder hun voeten wordt al iets zompiger naarmate ze verder in het Labbegat komen, maar dat is positief. De langdurige droogte van voorgaande jaren is niet voor herhaling vatbaar, daar zijn ze het over eens. Joey vertelt Paul dat ze parallel aan het wandelpad, langs de sloot de rietranden extra afmaaien. “De rietproductie gedijt goed onder stikstofneerslag, en heeft dankzij de droogte zelfs kans gezien om door de grasmat heen te breken. In september doen we het nog een keer, om zo de bovengemiddelde groei van riet maar ook de ‘verhouting’ tegen te gaan.”
Symptoombestrijding Het werkt namelijk als volgt. “Je kunt stikstof zien als een soort bemesting. Je hebt een aantal stikstofminnende soorten die in staat zijn om alles te overwoekeren en andere soorten geen kans laten om te groeien, braam bijvoorbeeld. Vooral in dit systeem is deze problematiek aanwezig. In dit gebied is er sprake van nat schraalland, kleine kruidachtige vegetatiesoorten passen hier goed in, maar om die een kans te geven mogen de stikstofminnende soorten niet te dominant aanwezig zijn. Daarom hanteren we de drie-eenheid beheren, maaien en afvoeren. Het maaisel voeren we namelijk af, dat zit vol met voedingsstoffen, en op die manier ben je aan het verschralen. Dat woord heeft een negatieve connotatie maar is wel degelijk een duurzame methode om de soortenvariatie hier te stimuleren”, vertelt Joey. “Maar het blijft symptoombestrijding”, voegt Paul eraan toe. “Wat we bij de omgevingsdienst met vergunningverlening aan de voorkant niet kunnen voorkomen, wordt hier aan de achterkant door Staatsbosbeheer alsnog bestreden. Een wisselwerking die eigenlijk niet wenselijk is. Om nog maar te zwijgen over de maatschappelijke kosten die hiermee gemoeid zijn", verzucht Paul.
Bomen Een paar honderd meter verder hebben we uitzicht over een mooie vlakte. “De oplettende wandelaar signaleert hier van alles, net als Joey en Paul. Hun ogen vallen op een paar kleine plantjes. “Hier, lijsterbes, zachte berk, vogelkers. Boomsoorten dus”, licht Joey toe. Directe gevolgen van stikstofdepositie. En het ergste is, dat zie je in heel Nederland.” Ze staan symbool voor de ‘verhouting’ waar het eerder over ging, een ander woord voor de toenemende groei van bomen. “Door de verdroging kunnen ze zonder moeite kiemen. En ja, natuurlijk staat er altijd wel iets van hout in het systeem. We kunnen het weliswaar afmaaien maar na een jaar zit je wel met een serieuze wortelstok onder de grond.” Joey trekt één van de minimale boompjes uit de grond en ontbloot een wortelstok van behoorlijke proporties. “Probleem is dat je deze exemplaren niet stuk voor stuk uit de grond kunt halen, dan richt je veel te veel schade aan. Permanent afmaaien dus, anders krijgen we een bos hier. Voor sommige plekken is dat geen ramp, maar hier is de natuurwaarde zo hoog, dat je die in stand wilt houden.” Paul vervolgt: “Een bekend misverstand is dat mensen vervolgens roepen: ‘Laat het dan een bos worden, laat de natuur haar gang gaan.’ Maar dan krijg je veel van hetzelfde en na verloop van tijd bovendien te maken met een kantelpunt door de verzuring. Dan zijn de bomen ook niet meer in staat om te blijven groeien ondanks hun veelbelovende eerste stadium.”
Niet hier Even verderop treffen we de kleine zonnedauw. “Mooi plantje, deze” zegt Joey. Paul: “Als je er geen verstand van hebt, zie je er iets moois in, maar het is echt een zuurminnende soort. Die wil je híer niet hebben. Joey: “Klopt, op andere plekken zijn we er heel blij mee, maar hier zien we ‘m liever niet.” “Het klinkt wat dubbel, maar de bodem zit hier vol met voedingsstoffen die je eigenlijk weg wilt hebben”, zegt Paul. Joey kent nog wel een voorbeeld. “Het grijs kronkelsteeltje, dat zie je vooral op stuifzand bij de Loonse en Drunense Duinen. Een mossoort, die kan alles overwoekeren. Deze kan op het zand gaan groeien en legt het daardoor ook vast, waardoor het niet meer verstuift, en daardoor krijgen pionierplantjes die er horen te staan, geen kans meer. Dan wordt het te eenzijdig. Paul: “Het ebt bovendien door in heel de keten. Denk aan de rammelende eieren, de gebroken pootjes van de meesjes, die geen kalk meer vinden in de bodem door de verzuring en daardoor een gebrek aan mineralen hebben.”
Groener wordt het niet Paul wijst naar het water, en het valt hem op dat het water meer afgesloten lijkt dan je eigenlijk zou willen. Joey nuanceert: “Onze eigen watergangen zijn nog van behoorlijke kwaliteit, ze worden gevoed door grondwater. In de randsloten zie je wel écht algengroei ontstaan. Je krijgt massa op die plekken, dat is niet wenselijk.” Paul: “Heel veel stikstoffosfaat komt terecht in de sloot, zowel afkomstig van boven als onder, met het bovenste grondwater bijvoorbeeld. Algen groeien daar heel goed op, met als gevolg dat de bovenkant dichtgroeit. Het onttrekt daardoor veel zuurstof, er komt geen zonlicht meer doorheen. Alles wat er onder zit, verdwijnt, roofdieren kunnen hun prooi er niet meer waarnemen. Uiteindelijk zit je door die overdaad aan alg tegen een stinkende levenloze sloot aan te kijken. Langs de akkerlanden van boeren zie je heel vaak zo’n dikke groene schuimlaag op het water. Weet dus dat dat geen goed signaal is. Uiteindelijk is het aan de waterschappen om die hoeveelheden alg uit het water te verwijderen. Ook hier weer: symptoombestrijding.”
Buisjes Iets waar we ook direct de menselijke hand in kunnen herkennen zijn de aan een boom bevestigde ampullen. Paul legt uit dat ze onderdeel zijn van het landelijk meetnet en maandelijks richting het RIVM gaan om de mate van stikstofdepositie op deze plek mee te monitoren. Joey: “We zien hoge scores bij deze ampullen. Rotterdam, Antwerpen en de snelweg zijn allemaal redelijk dichtbij en zijn van invloed hierop.” Maar een schrale troost, volgens Paul: “De veedichtheid is hier relatief gezien wel lager, dat scheelt wel weer. Lager dan in Oost-Brabant in ieder geval.”
Parel Een flink aantal diepe stappen verder treffen we de blonde zegge aan. Een bescheiden plantje waar je makkelijk aan voorbij zou gaan, maar schijn bedriegt. De blonde zegge is een beschermde en zeldzame kalkminnende soort die gedijt op soortenrijke (blauw)graslanden. Joey: “Dat we deze plant weer vaker zien stemt hoopvol. Weliswaar op slechts een oppervlak van twee bij twee meter. Maar toch. Hier doen we het wel écht voor.”