[vijf vragen over]
Circulaire economie
Wat is het precies, welke kansen biedt het en welke rol speelt de omgevingsdienst?

San Adelaar, expert circulaire economie geeft uitleg
1. Wat is circulaire economie?
“We leven nu (nog) grotendeels in een lineaire economie. Met andere woorden: Je koopt iets, gebruikt het, gooit het weg en bent een deel van de grondstoffen daarna kwijt. Bij circulair daarentegen blijft de cirkel rond. Je koopt dan iets, je gebruikt het, je recyclet het, werkt het op als het ware, en gebruikt het weer voor hetzelfde doel als waar het oorspronkelijk voor gemaakt is.
Het doel is om dit in 2050 voor elkaar te hebben. In 2030 zouden we al voor vijftig procent circulair moeten zijn, maar dan moet er nog wel veel gebeuren. Voor mij persoonlijk begint circulaire economie al bij de eerste basale vraag die je jezelf moet stellen: ‘Wat ik aan wil schaffen, heb ik dat werkelijk nodig?’”
2. Hoe staat circulaire economie er nu voor?
“Je ziet sowieso al dat veel bedrijven, maar ook de gemeentes en de provincie, zich richten op circulaire inkoop. Veel bedrijven vinden dat belangrijk. Bijvoorbeeld retro meubels, spullen die we twintig jaar geleden bij het oud vuil zetten, krijgen nu opnieuw een bestemming omdat ze ‘vintage’ zijn. Marketingtechnisch werkt dat momenteel ook goed. Met minimale aanpassingen worden zaken ook refurbished, onze bureaustoelen bijvoorbeeld krijgen een nieuwe bekleding maar de behuizing is nog steeds origineel. Op microniveau zie je inmiddels tal van initiatieven. In onze bedrijfskantine bijvoorbeeld, hebben ze oesterzwamkroketten, gemaakt van oesterzwammen die als voedingsbodem de koffiedrab hebben, afkomstig uit de koffieautomaten van het kantoor. De echt grote stappen op macroniveau zijn nog interessanter. Allerlei grondstoffen worden immers steeds schaarser. Met name zeldzame metalen, onder andere belangrijke grondstoffen voor de elektronica- en energie-industrie.
China heeft naar schatting meer dan tachtig procent van de mijnen in handen waar die grondstoffen zich bevinden. We moeten daar minder afhankelijk van zijn. Om die reden is het ook belangrijk dat we meer circulair worden, we willen voorkomen dat schaarse grondstoffen nog schaarser worden. Dat wordt landelijk onderschreven. Op dit moment zijn er bijvoorbeeld veel initiatieven met het pyrolyseren van kunststofafval. Met dit proces wordt het plastic afval verhit, je dampt het als het ware uit, waarna er een gasfase ontstaat waarin je het terug kunt koelen tot een oliefractie. Daarnaast ontstaat er een asfractie waar je een beperkt aantal kanten mee op kunt en een gasfractie welke je kunt gebruiken om de installatie te verwarmen. Vooral die oliefractie is interessant, want die kan weer dienen als brandstof. Maar in alle eerlijkheid ben je dan toch weer lineair bezig want de oorspronkelijke grondstof, die verbrandt en vergaat. Daar is niets circulairs aan. Veel interessanter is het om de oliefractie zo zuiver te maken dat het een volwaardig alternatief is voor de ‘virgin’ grondstof van plastic, namelijk aardolie. De realiteit is dat dat laatste nog op zich laat wachten om het eenvoudigweg een te kostbaar en erg complex proces is. Maar we zijn onderweg.”
3. Wat doet de OMWB?
“Als omgevingsdienst zijn we aan het kijken wat we vanuit het VTH-kader (vergunningverlening, toezicht en handhaving) voor circulaire economie kunnen betekenen. Er is op dit moment nog geen wettelijke verankering waaruit we bedrijven kunnen dwingen om bepaalde acties te ondernemen in de bedrijfsvoering. Wél werken we als omgevingsdienst al met veel thema’s die raken aan circulaire economie. We kunnen bijvoorbeeld maatregelen voor afvalpreventie voorschrijven bij bedrijven in hun vergunning. Wat kunnen ze doen om zo weinig mogelijk afvalstoffen te genereren en zo efficiënt mogelijk met de grondstoffen om te gaan die ze binnen krijgen? Daarbij toetsen wij aan het Landelijk afvalbeheerplan. We kunnen er ook op toezien dat bedrijven hun afval voldoende scheiden.
In de toekomst willen we daarop nog strikter gaan handelen en we zijn aan het verkennen welke mogelijkheden we hiervoor hebben. Een bedrijf zou dan in de toekomst een vergunning aan kunnen vragen voor de verwerking van een bepaalde stof maar wij kunnen onszelf dan kritisch de vraag stellen: Is deze methode circulair genoeg? Bestaat er geen hoogwaardigere verwerkingsmethode die leidt tot een hoogwaardiger opnieuw te gebruiken (grond)stof voor dit bedrijf?”
4. Welke kansen liggen er voor bedrijven?
“Ik denk dat bedrijven veel meer secundaire grondstoffen (afvalstoffen) voor de productie gaan inzetten. De toepassingen zijn nu nog wat beperkt. Voedingsmiddelen mogen nu bijvoorbeeld nog niet verpakt worden met materiaal dat geproduceerd is van secundaire grondstoffen. We recyclen weliswaar maar veel materiaal dat wordt hergebruikt gaat weer dienstdoen voor een laagwaardiger doeleinde. Op dat terrein is voor de circulaire economie qua ontwikkeling nog veel te winnen.
Nog té vaak dringt zich bij ons namelijk de vraag op: ‘Hebben we het hier over methoden die bijdragen aan circulaire economie of maken ze gewoon deel uit van een goed verdienmodel?”
5. Wat gaat de OMWB nog meer doen?
“Vanuit het ODNL (Omgevingsdienst NL, de overkoepelende vereniging van de 29 regionale omgevingsdiensten in Nederland, red.) zijn we in samenwerking met drie andere omgevingsdiensten in opdracht van IPO (Interprovinciaal Overleg) aan het kijken hoe we meer handvatten kunnen krijgen om toe te zien op circulaire economie vanuit vergunningverlening, toezicht en handhaving. Ook gaan we na of er een training kan komen die collega’s van VTH uit kan rusten met de benodigde kennis om toe te zien op het borgen van de circulaire economie bij bedrijven. Het Landelijk afvalbeheerplan wordt op termijn bovendien opgevolgd door een vierde versie, waarin circulaire economie nog prominenter terugkomt.
Daarnaast zijn we aan het verkennen hoe we in de regio, dus de drie Brabantse omgevingsdiensten en de provincie, kunnen werken aan een consistentere uitwisseling en bundeling van onze kennis over circulaire economie. Met een ‘centraal loket’ kunnen we de uitdagingen en informatieoverdracht binnen de diensten maar ook naar bedrijven uniformer gaan uitvoeren. Meer dan voldoende ambities dus.”